Achtergrondinformatie

Bron: Wikipedia

Het pijporgel is een muziekinstrument dat bestaat uit onder meer één of meer klavieren, een windvoorziening en een groot aantal orgelpijpen

Wanneer de organist een toets indrukt, zorgt een mechaniek ervoor dat er vanuit de windvoorziening lucht in één of meer pijpen stroomt. Afhankelijk van de grootte, de vorm en het materiaal van de pijpen kan een grote verscheidenheid aan klanken voortgebracht worden. Vrijwel ieder pijporgel is verschillend van samenstelling. De kleinste orgels hebben één klavier en één rij pijpen: voor iedere toets van het klavier een pijp. De grootste orgels hebben vijf of zelfs zes klavieren en een pedaal (een klavier dat met de voeten bespeeld kan worden) en meer dan tienduizend pijpen, verdeeld over pijpenrijen die met honderden registerknoppen bediend kunnen worden.

Pijporgels komen veel voor in Europa en in Noord-Amerika en worden vooral aangetroffen in kerkgebouwen. Als krachtig instrument dat door één persoon bespeeld kan worden hebben veel christelijke kerken het orgel als een geschikt middel beschouwd voor de begeleiding en/of omlijsting van de samenzang tijdens kerkdiensten. Diverse componisten, waaronder Johann Sebastian Bach, hebben muziek voor het orgel geschreven, zowel voor kerkelijk als niet-kerkelijk gebruik, zodat er een uitgebreide orgelliteratuur is ontstaan. Dergelijke muziek wordt gedurende orgelconcerten ten gehore gebracht. Pijporgels worden soms ook geplaatst in concertzalen, aula's en huiskamers.